wafelboom

de man brengt appe­len rond. wan­neer breng je wafels, vroeg ik. appe­len groeien aan een boom in de tuin, kreeg ik als repliek. een wafel­boom! ik wil een wafel­boom, vrolijk­te ik zacht­jes met glim­mende oog­jes. een wafel kan ik voor je planten, kreeg ik als antwo­ord.

ik zie het al hele­maal voor me: het put­je in de zachte bru­ine aarde, de wafel erin. het schep­je waarmee de wafel in het put­je wordt toegedekt. en het put­je uitein­delijk hele­maal terug opvulde. gelijk met de grond. de onder­aard­se wafel. de wafel kon begin­nen kiemen en groeien. en dan in de lente zou ik wafels plukken en smul­len.

in een flits van een sec­on­de besefte ik dat een wafel zo hele­maal niet kan groeien. con­cept: com­pos­ter­ing.

de aarde zal de wafel verzwel­gen! ik keek onthut­st, voelde me ontred­derd. en de man, hij wan­delde weg.